Pinchers, Schnauzers, Molossers en Sennenhonden

 

Pinchers en Schnauzers

De Pinchers en Schnauzers behoren tot de turfspits groep. Bij opgravingen zijn schedels gevonden die overeenkomen met de schedels van hedendaagse rassen.

In 1954 kwamen door een aardverschuiving in het Jura gebergte de resten bloot te liggen van paaldorpen uit het stenen tijdperk waar ook schedels zijn gevonden, deze schedels lijken op die van de huidige Schnauzers.

 

 

Tevens staat er op een schilderij van Jan Breughel (1568-1625) een Pincher-Schnauzer achtige hond. De Pinchers en Schnauzers waren vroeger één ras en werden door mensen gehouden die met paarden werkten. Ze moesten de stallen rat en muisvrij houden en liepen kilometers lang met de paarden mee. Hun voorliefde voor paarden hebben ze uit deze tijd over gehouden.

De ruwharige werden ‘Rauhaarige’ Pincher genoemd, ratten fanger, ratler, enz. In 1834 zijn de namen Glatten Pincher en Rauhen Pincher geïntroduceerd, daarna zijn het twee verschillende rassen geworden waarbij de Rauhen Pincher, Schnauzer werd genoemd. De naam Schnauzer komt van het Duitse woord ‘schnauz’, wat gezicht met snor en baard betekent. De naam Pincher komt van het Engelse woord ‘to pinch’ wat grijpen betekent, en duidt op de grijpbeweging van de voorpoten waarmee deze honden een muis of rat doden. Op deze manier spelen ze ook vaak met andere honden.

 

Molossers

Op Mesopotamische reliëfs zijn op mastiff lijkende doggen gevonden die toen al als zware jachthond werden gebruikt. Hieruit kun je opmaken dat de Molosser al zeer oud is.

De term molosser is afgeleid van de Molossiërs, een volk dat in de oudheid het zuiden van het huidige Albanië bewoonde. De honden van de Molossiërs genoten een goede reputatie in Griekenland, en worden genoemd door Aristoteles.

Reeds op het grafmonument van Esar-Haddon, opgericht te Ninive (640 voor Christus) vindt men een grote Molosserachtige hond afgebeeld.

 

 

Hij was gladharig met een grote brede schedel en snuit die veel weg had van de hedendaagse Mastiff. Deze Molosser zou een schofthoogte hebben gehad van meer dan 90 cm.
Ook de Chinese literatuur meldt ons al over grote zeer zwaar gebouwde honden, met een groot hoofd, zwaar van botten- en lichaam, met een onverschrokken en bloeddorstig karakter, welke werden ingezet op de beren- en tijgerjacht, in oorlogen en voor het bewaken van de tempels en paleizen. Zijn oorsprong moet men zoeken in Midden-Azië en in de berg streken van het noorden van India.
AI gauw werd hun kracht bekend en waardeerde men hun diensten, zodat andere volkeren er alles voor over hadden om deze dieren in handen te krijgen om als oorlogshond in te kunnen zetten.

Wanneer de Molossers tijdens een oorlog werden ingezet, droegen zij vaak een harnas ter
bescherming van hun lichaam. De honden liepen aangelijnd naast het paard, zo kwamen deze honden in het westen terecht. Via Perzië en Turkistan kwamen zij naar het rijk der Assyriers.


Omdat de adel altijd al grote interesse toonde voor de jacht, werden ook deze honden op die kwaliteit geselecteerd en getraind. Door hun grote kracht kon men hen inzetten voor de jacht op zwijnen, beren, tijgers en runderen, zo bewezen zij hiervoor al gauw hun grote waarde.
Via de selectie op jacht en kracht werd toen al een basis gelegd voor vele latere hondenrassen.

Het typerende voor Molosser rassen is hun over het algemeen kalme aard. Hij komt over als een hond die traag is, weinig actie vertoont en veel slaapt. Toch is hij een zeer goede waker en al lijkt hij te slapen, hij blijft alert en houdt vanaf zijn slaapplaats de omgeving in de gaten.
De Tibetdog is het oudst bekende Molosser ras met hun zwart-bruine aftekening, ook de gestroomde aftekening was onder de oermolossers al bekend.

Geschiedenis Zwitserse Sennenhonden.

De stamboom van de Zwitserse Sennenhonden is al tweeduizend jaar oud. Toen trokken Romeinse legers naar het noorden. Ze namen grote, zware doggen mee om het meegebrachte vee op te jagen. Naarmate de reis vorderde, werden de kudden kleiner en de honden bleven in de Zwitserse dalen achter. Uit deze honden ontwikkelde zich plaatselijke variëteiten, die door de boeren voornamelijk als veedrijver, herders-, trek- en waakhond werden gebruikt. Hun gemeenschappelijke naam werd Sennenhond (alpenhond).

 

 

In de loop der tijd zouden zich uit de lichtere Molosser de Appenzeller en Entleburger zijn voortgekomen, terwijl de Berner en de Grote Zwitser tot de zwaardere Molossers zouden zijn terug te voeren.

 

Veel honden werden gehouden door de herders, die in de zomer naar de alpenweiden trokken met grote kudden runderen en geiten. Andere verbleven zomer en winter op de boerderijen in het dal en fungeerden onder meer als waakhond, maar werden ook wel gebruikt voor het trekken van (melk-)karren. Ondanks het feit dat de Zwitserse boerenhonden veel op elkaar leken, werden zij door de boeren en herders niet als rashond aangemerkt en daarom werden zij niet op hun uiterlijke eigenschappen geselecteerd, maar vooral op de werkeigenschappen die voor hen van nut waren

 

 

Omdat de honden, die soms driekleurig, maar ook wel tweekleurig (zwart/wit of rood/wit) waren, verschillende namen kregen die verwezen naar hun uiterlijk, was het voor iedereen duidelijk over wat voor soort hond er gesproken werd. De namen konden zijn Bärri, als ze weinig wit hadden, Bläss of Blässli als ze een bles hadden. Omdat de driekleuren bruine vlekken boven de ogen hadden werden ze ook wel ‘vieräugler’ genoemd.

 

Dit artikel is samengesteld door Corine, als bronnen zijn gebruikt; ’Onze Hond’ jaargang 1997-2008 en ‘Het Internet’.

  

Snuffel verder in Pinchers

 

Snuffel verder in Schnauzers

 

Snuffel verdr in Molossers

 

Snuffel verder in Sennenhonden

 

Snuffel verder in hondenrassen