|
De cursus
Dat is eigenlijk afhankelijk wat u uw hond wilt leren en of u aan een proef mee wilt doen.
Wij houden wel de richtlijnen van de KNJV aan en trainen dus C – B – A proef
De C proef bestaat uit:
1. Proef A: Aangelijnd en los volgen
1. De hond moet zijn voorjager over een traject van ongeveer 40 meter volgen. Dit traject moet eerst aangelijnd en vervolgens niet aangelijnd worden afgelegd. 2. Het traject heeft de vorm van een zandloper waardoor de voorjager steeds twee bochten met zijn hond aan binnenkant en twee bochten met zijn hond aan de buitenkant moet maken. 3. Tijdens het niet aangelijnd volgen moet de voorjager halsband en lijn op een door de keurmeester aangewezen plaats achterlaten.
Voor de totale proef wordt één cijfer gegeven, en wel zodanig, dat aangelijnd en los volgen in de uiteindelijke beoordeling even zwaar tellen. De beide delen te weten aangelijnd en los volgen moeten voldoende worden afgelegd.
Voor een volmaakte uitvoering is het niet noodzakelijk dat de hond gaat zitten als de voorjager stilstaat.
De proef is voldoende afgelegd door de hond, die aangelijnd, zijn voorjager niet herhaaldelijk hindert door trekken, voor de voeten lopen of snuffelen en die niet aangelijnd, zijn voorjager volgt en niet herhaaldelijk hindert door achterblijven, vooruit lopen, voor de voeten lopen of snuffelen.
De proef is volmaakt afgelegd door de hond, die aangelijnd, attent is, zijn schouder voortdurend ter hoogte van de knie van zijn voorjager houdt en nagenoeg geen aandacht van hem vergt, terwijl de lijn slap hangt en de voorjager zijn bevel niet hoeft te herhalen en die, niet aangelijnd, zijn schouder voortdurend ter hoogte van de knie van zijn voorjager houdt en nagenoeg geen aandacht van hem vergt, terwijl de voorjager zijn bevel niet hoeft te herhalen.

2.Proef B: Uitsturen en komen op bevel
De hond moet zonder halsband of lijn, vrij worden uitgezonden en van een afstand van ongeveer 30 meter op bevel naar zijn voorjager komen. De voorjager moet dit bevel geven onmiddellijk nadat de keurmeester hem dit opdraagt.
Dirigeren kan leiden tot punten aftrek, maar niet tot een onvoldoende. De voorjager dient in zekere mate op zijn plaats te blijven. Een stukje meelopen is toegestaan maar leidt tot punten aftrek. Voor wat betreft het "komsignaal" kan een combinatie van attentie en uitvoeringssignaal als één bevel worden beschouwd.
De proef is voldoende afgelegd door de hond, die binnen één minuut, nadat met de proef is gestart, naar het oordeel van de keurmeester, voldoende vrij is en voldoende afstand heeft genomen en vervolgens, na niet meer dan drie bevelen, binnen redelijke tijd bij zijn voorjager komt, zodat deze hem ter plaatse kan aanlijnen.
De proef is volmaakt afgelegd door de hond, die onmiddellijk en in alle vrijheid uitgaat, snel voldoende afstand neemt en vervolgens, na één bevel, onmiddellijk en zeer snel komt en zonder daartoe een afzonderlijke aanwijzing te hebben gekregen, dus uit zich zelf, aan de voeten van zijn voorjager gaat zitten.

3. Proef C: Houden van de aangewezen plaats
1. De hond moet, zonder halsband of lijn en zonder dat enig voorwerp bij de hond is achtergelaten, de hem aangewezen plaats houden tot zijn voorjager hem weer ophaalt. 2. De voorjager dient twee volle minuten buiten het gezichtsveld van de hond te verblijven. 3. De keurmeester dient er op toe te zien dat de hond niet door verwaaiing of inrichting van de proef kan weten dat zijn voorjager in zijn directe omgeving verblijft.
De beoordeling begint als de keurmeester de voorjager opdracht geeft zich naar de aflegplaats te begeven en eindigt als de hond is opgehaald. . De voorjager mag, zolang hij niet buiten het zicht van de hond is, ter correctie éénmaal teruglopen. De rust waarmee alles wordt uitgevoerd is zeer bepalend voor de hoogte van het cijfer. De door de hond eenmaal aangenomen basishouding: liggend, zittend of staand, moet voor een volmaakte uitvoering worden gehandhaafd.
De proef is voldoende afgelegd door de hond, die de hem aangewezen plaats niet verder dan één meter verlaat en die niet door hinderlijk janken of blaffen ongerustheid toont.
De proef is volmaakt afgelegd door de hond, die door zijn voorjager in alle rust zijn plaats is gewezen, voorts geen enkele aandacht van zijn voorjager krijgt, zijn plaats in het geheel niet verlaat en rustig en vol vertrouwen op zijn voorjager wacht.

4. Proef D: Apport te land
1.De hond moet, zonder halsband of lijn, een, in overzichtelijk terrein, weggeworpen wild konijn apporteren. 2. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten. 3. De hond moet het konijn binnen handbereik van de voorjager brengen. 4. De Werper dient het konijn zo ver mogelijk van zich weg te werpen, doch op een zodanige plaats dat het konijn op ongeveer 25 meter van de hond terechtkomt. 5. De valplaats dient zodanig te worden gekozen dat de hond vanaf de positie bij de voorjager het konijn kan zien liggen. 6. De hond mag in opdracht van de keurmeester, na één seconde, nadat het konijn gevallen is worden uitgestuurd om te apporteren. 7. Een konijn mag bij deze proef meerdere malen door verschillende honden worden gebruikt.
De hond die onhoudbaar inspringt of aangelijnd wordt voorgejaagd kan maximaal een 8 krijgen. De hond die bij het inspringen binnen 5 meter vanaf de plaats van de voorjager wordt gestopt is niet onhoudbaar ingesprongen. Het beoordelen van de wil tot apporteren en de wijze van uitvoering staat centraal.
De proef is voldoende afgelegd door de hond, die het konijn opneemt en naar zijn voorjager brengt, ongeacht of hij tijdens het werpen aangelijnd of onaangelijnd was, of hij inspringt of verpakt, of hij zittend of staande afgeeft.
De proef is volmaakt afgelegd door de hond, die onaangelijnd naast zijn voorjager zit en geen aandacht van hem vergt, niet inspringt, het commando tot apporteren afwacht, snel naar het konijn gaat, en een "model apport" uitvoert.

5. Proef E: Apport uit diep water
1. De hond moet, zonder halsband of lijn, een in overzichtelijk, diep water geworpen wilde eend apporteren. 2. De eend moet op een zodanige plaats in het water worden geworpen, dat de hond om de eend te bereiken, moet zwemmen. 3. De valplaats dient zodanig te worden gekozen, dat de hond, vanaf de positie bij de voorjager, de eend kan zien liggen. 4. Tijdens het werpen van de eend wordt een schot gelost. Werper en geweer blijven gedurende de hele proef op hun plaats staan. Het schot wordt afgegeven op het moment dat de eend op het hoogste punt is. 5. De keurmeester zal de voorjager de plaats wijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar naar toe de hond de eend moet brengen. Deze plaats zal zodanig worden gekozen dat zij ongeveer drie meter, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, uit de waterkant ligt. 6. De hond mag in opdracht van de keurmeester, na één seconde, nadat de eend gevallen is, worden uitgestuurd om te apporteren.
De hond die onhoudbaar inspringt of aangelijnd wordt voorgebracht kan maximaal een 8 krijgen. De hond die vóór de waterkant na ingesprongen te zijn, kan worden gestopt is niet onhoudbaar ingesprongen. De voorjager mag de hond voor een voldoende uitvoering maximaal drie maal de opdracht geven om te water te gaan. Hij mag de hond als deze zonder eend uit het water terugkeert nog éénmaal inzetten.
De proef is voldoende afgelegd door de hond, die de eend aanneemt en naar zijn voorjager brengt, ongeacht of hij tijdens het werpen aangelijnd of onaangelijnd was, of hij inspringt, verpakt, zich uitschudt of hij zittend of staande afgeeft.
De proef is volmaakt afgelegd door de hond, die onaangelijnd naast zijn voorjager zit en geen aandacht van hem vergt, niet inspringt, het commando tot apporteren afwacht, daarna onmiddellijk te water gaat, snel naar de eend zwemt en een "model apport" uitvoert.

Snuffel verder in de jachthut
|